Veel mensen hebben moeite met de Nederlandse grammatica. Er zijn dan ook aardig wat regels waar je je aan moet houden. Het is lang niet altijd makkelijk om te bepalen of een woord met een ‘d’, een ‘t’ of met ‘dt’ moet worden geschreven. We kennen bijvoorbeeld meerdere woorden die soms met een ‘d’ en soms met een ‘t’ moeten worden geschreven. Denk maar aan ‘het gebeurt’ en ‘het is gebeurd’. In de Nederlandse grammatica kunnen de meest eenvoudige en veel gebruikte woorden best lastig zijn om te schrijven. Is het nu ‘word’ of ‘wordt’? Best lastig! Wij geven je een paar handige ezelsbruggetjes.
Fouten met ‘d’ en ‘dt’ komen het meest voor

Goede grammatica is heel belangrijk. Het kan in bepaalde situaties bepalen hoe duidelijk, betrouwbaar en professioneel je overkomt. Op social media kun je zelfs behoorlijke discussies opwekken als je iets verkeerd schrijft. Daar hebben we wel eens te maken met de ‘Taalpolitie’, zoals we dit noemen. Een goede grammatica is belangrijk.

Het verschil tussen ‘d’ en ‘dt’ is klein, maar het is wel waar veel mensen op letten in een sollicitatiebrief, op een website of bijvoorbeeld in een rapport. Fouten met ‘d’ en ‘dt’ komen het meest voor. Hoe weet je nu of je ‘word’ of ‘wordt’ moet schrijven? Hier zijn een aantal handige ezelsbruggetjes voor. Wij nemen ze graag met je door.
1. ‘t Kofschip en ‘t Fokschaap om de basis zeker te weten



Er zijn niet alleen mensen die het moeilijk vinden om te bepalen of je ‘word’ of ‘wordt’ schrijft. Er zijn ook mensen die standaard ‘wort’ schrijven. Dit is in geen geval goed. Het is goed om voor elk werkwoord eerst te bepalen of het met een ‘d’ of een ‘t’ op het einde wordt geschreven. Hiervoor kun je gebruik maken van ’t Kofschip of ’t Fokschaap. Beide bieden dezelfde regel. Je kijkt naar de stam van het woord. Je kunt het woord ook verlengen om te horen wat er in de stam hoort te staan. ‘Word’ wordt ‘worden’. Je schrijft het dus met een ‘d’ op het einde en deze letter staat niet in ’t Kofschip of ’t Fokschaap. Dit betekent dat je in het voltooid deelwoord nooit een ‘t’ tevoorschijn kunt toveren. Dit vertelt je direct dat ‘wort’ in alle gevallen fout is. De vraag is dus vooral wanneer er nog een ‘t’ bij komt achter de ‘d’. Daar kun je de volgende regels en ezelsbruggetjes voor gebruiken.
2. Ik op één, een ‘t’ is geen
Je kunt heel eenvoudig onthouden dat er nooit een werkwoord eindigend op ‘dt’ volgt op het woord ‘ik’. Ben jij dus zelf het onderwerp van de zin? Dan volgt hierop een woord dat eindigt op alleen een ‘d’ als het werkwoord in de stam op een ‘d’ eindigt. Denk aan ‘ik houd’ en ‘ik word’. Staat ‘ik’ op de eerste plaats en volgt het werkwoord daarna? Dan eindigt het werkwoord met een ‘d’ op het eind dus altijd bij die ‘d’. In geen geval komt er een ‘t’ achteraan.
3. Je, jij, hij of zij op één hebben een ‘t’ gemeen
Staat er niet ‘ik’ op de eerste plaats vóór het werkwoord, maar staat hier je, jij, hij of bijvoorbeeld zij? Deze werkwoorden hebben dan een ‘t’ gemeen. Dit betekent dat er een ‘t’ wordt toegevoegd als de stam van het werkwoord op een ‘d’ eindigt. We blijven even bij houden en worden. Deze werkwoorden eindigen in de stam op een ‘d’. Schrijf je ‘je/jij/hij/zij voor het werkwoord? Dan komt er een ‘t’ achteraan. Dus ‘jij houdt’ en ‘hij wordt’. Deze regel geldt ook voor wanneer er ‘het’ of ‘u’ staat.
4. Ik op twee een ‘t’ is nee
Wat nu als ‘ik’ niet vóór het werkwoord staat maar juist erachter? Dan verandert er eigenlijk niets, omdat het om ‘ik’ gaat. Je bent zelf de hoofdpersoon en dat betekent dat er geen ‘t’ achter het werkwoord komt te staan. Staat ‘ik’ op twee (dus na het werkwoord), dan is een ‘t’ nee. Een handig ezelsbruggetje om te onthouden dat er nooit een ‘t’ wordt toegevoegd als het om ‘ik’ gaat.
5. Je of jij op twee, een ‘t’ is nee
Deze is wat lastiger. Staat er ‘je’ of ‘jij’ na het werkwoord dat in de stam eindigt op een ‘d’? Dan wordt er geen ‘t’ aan toegevoegd. Het is dus ‘word jij’ of ‘houd je’. Je komt hierin geen extra ‘t’ tegen. Dit kan best lastig zijn, omdat dit alleen voor deze onderwerpen geldt en niet voor bijvoorbeeld ‘hij’ en ‘zij’. Gelukkig is hier ook een makkelijkere regel voor, namelijk het vervangen van het werkwoord. Deze nemen we straks natuurlijk ook met je door.
6. Hij, zij op twee, neem de ‘t’ mee
Staat er na het werkwoord geen ‘ik’, maar staat hier ‘hij/zij/u/het’? Dan mag je de ‘t’ weer meenemen. Dit betekent dat je een ‘t’ toevoegt als de stam van het werkwoord eindigt op een ‘d’. Het wordt dan dus ‘wordt hij’ en ‘houdt u’. Ook in dit geval kan het makkelijker zijn om het werkwoord te vervangen door een makkelijker woord waaraan je gewoon kunt horen of er een ‘t’ aanwezig is. Deze regel vind je hieronder.
7. Het vervangen van het werkwoord door een makkelijker woord
Vind je ezelsbruggetjes lastig om te bepalen of het ‘word’ of ‘wordt’ moet zijn? Dan is er ook een heel eenvoudige regel die je eigenlijk altijd toe kunt passen. Er zijn werkwoorden waarvan je weet dat deze standaard op een ‘t’ eindigen. Denk aan lopen, maken of kopen. Laten we ‘lopen’ als voorbeeld aanhouden. Combineer je dit met ‘ik’? Dan hoor je nooit een ‘t’. Het is ‘ik koop’ en ‘koop ik’. Er komt geen ‘t’ aan te pas. Dit betekent dat werkwoorden die in de stam eindigen op een ‘d’ ook nooit een extra ‘t’ krijgen. Het is ‘ik word’ en ‘word ik’. Gaat het om een ander onderwerp, dus ‘hij’ of ‘zij’? Dan hoor je wel een ‘t’. Het wordt dan ‘hij loopt’ of ‘zij loopt’. Je hoort een ‘t’ en dit betekent dat deze ‘t’ ook wordt toegevoegd als het gaat om een werkwoord dat in de stam eindigt op een ‘d’. Het wordt dan dus ‘hij wordt’. Je kunt het werkwoord altijd even vervangen door een simpel werkwoord. Hoor je daarin een ‘t’ op het einde? Dan schrijf je dus altijd een ‘t’ achter de ‘d’.
De regel is makkelijker dan ezelsbruggetjes
Voor de meeste mensen is de vervangregel makkelijker te onthouden dan de ezelsbruggetjes om te bepalen of het ‘word’ of ‘wordt’ moet zijn. Je kunt elk werkwoord vervangen door ‘lopen’ om erachter te komen of je een ‘t’ moet toevoegen of niet. Het is een simpele regel waarmee je altijd makkelijk kunt bepalen of je een werkwoord met ‘d’ of ‘dt’ moet schrijven.
